Over de cursus

Darwins filosofische erfenis; de evolutie van cognitie, cultuur en moraal is een mastercursus op WO-niveau die wordt verzorgd door de Faculteit Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit. De cursus wordt ontwikkeld en gedoceerd door prof. dr. Carla Rita Palmerino, hoogleraar filosofie, en drs. Frank van Caspel, promovendus filosofie. De cursus is voor het eerst gestart in september 2013, en begint jaarlijks in september.

Voor informatie over (het gebruik van) deze website, kijkt u op deze pagina.

Schets van de cursus

In zijn boek, Darwin’s dangerous idea: evolution and the meanings of life (Londen, 1996), vergelijkt de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett Darwins evolutietheorie met een ‘universeel zuur’ dat zich door alle stoffen heen een weg vreet: kwesties zoals de plaats van de mens in de kosmos, de oorsprong van de menselijke taal en cultuur, het ontstaan van de moraal, de aard van het bewustzijn en van de rationaliteit, en het fundament van de persoonlijke identiteit werden door Darwins theorie in een nieuw licht geplaatst.

origin-of-species Hoewel Darwin in The Origin of Species (1859) elke verwijzing naar de menselijke soort vermeed, werden de implicaties van zijn theorie snel duidelijk. In 1863 verscheen Thomas Huxley’s Evidence as to Man’s Place in Nature, een boek waarin de structurele overeenkomsten tussen mens en mensapen voor het eerst werden besproken; een jaar later publiceerde Alfred Wallace zijn essay The origin of human races and the antiquity of man as deduced from the theory of “natural selection”, waarin de relatie tussen biologische evolutie en mentale evolutie centraal stond. In een volgend essay, gepubliceerd in 1869, beweerde Wallace dat de complexiteit van de menselijke geest niet te verklaren was in termen van natuurlijke selectie en dat de kloof tussen de cognitieve vermogens van mensen en dieren een bewijs was dat een “Hogere Intelligentie” evolutie had gestuurd. Darwin reageerde zeer kritisch op Wallace’s argument en in 1871 publiceerde hij The Descent of Man, and Selection in Relation to Sex, waarin hij de evolutionaire verwantschap tussen mensen en lagere dierensoorten behandelde. In The Descent beweerde Darwin dat er een grotere kloof was tussen de cognitieve vermogens van apen en vissen dan tussen die van apen en mensen. Om zijn standpunt te kunnen onderbouwen, probeerde Darwin aan de hand van een groot aantal voorbeelden aan te tonen dat het verschil tussen de cognitieve vermogens van mensen en hoge zoogdieren gradueel en niet essentieel was, en dat het menselijk sociaal en moreel gedrag sterke overeenkomsten vertoonde met dierlijke instincten.

Sommige van de vragen die in de werken van Darwin, Wallace en Huxley aan bod komen zijn nog altijd onderwerp van discussie binnen de hedendaagse filosofie: hoe kunnen wij vanuit een evolutionair perspectief het ontstaan van ethische normen verklaren? Is de evolutie van coöperatief en sociaal gedrag compatibel met het mechanisme van biologische evolutie? Wat is de relatie tussen de evolutie van het brein en de evolutie van onze cognitieve vermogens? Hoe kan de wederzijdse invloed tussen cognitieve evolutie en de evolutie van taal en cultuur worden verklaard? Kan het Darwiniaanse algoritme van variatie, selectie en replicatie ook buiten het terrein van de biologie worden toegepast?

In deze cursus zullen de bovengenoemde vragen historisch en systematisch worden behandeld. Aandacht zal worden besteed aan zowel de theorieën van Darwin en zijn tijdgenoten, als aan het hedendaagse filosofisch debat omtrent de evolutie van cognitie, cultuur en moraal.

Verder op deze site treft u informatie over de leerdoelen & toetsing, opzet en literatuur van de cursus, evenals informatie over hoe u zich kunt aanmelden. Wij hopen u als student te mogen ontvangen!